Leestijd: ±4 min
Oooooh, tijd om de taal van de weg te leren! Verkeersborden, wegmarkeringen en verkeerslichten lijken soms een geheim alfabet, maar zodra je het begrijpt, weet je altijd wat de weg van je vraagt. In theorie lijkt alles logisch, maar in de praktijk draait het om snel zien, juist interpreteren en direct handelen. Ik zal je helpen stap voor stap te ontdekken hoe je de signalen leest, zodat je veilig, slim en vol vertrouwen kunt rijden. Zo wordt elk bord, elke streep en elk licht een gids op jouw route!
Een fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan en je mag er volgens de wegcode dus niet op rijden. In de praktijk is het soms wel toegelaten om even op het fietspad te rijden, bijvoorbeeld om:
Wanneer rijstroken samenvoegen en jouw rijstrook stopt, moet je van rijstrook veranderen. Gebruik je richtingaanwijzer en geef voorrang aan bestuurders op de rijstrook waar jij wil invoegen.
Net op tijd gestopt bij de regels van rijstroken en fietspaden!
Gevaarsborden kondigen een gevaar aan op 150 meter afstand of meer. Bij het zien van een gevaarsbord moet je:
A1 : Let op je snelheid en kijk voldoende vooruit in een gevaarlijke bocht.
A3 : Houd rekening met versnellen door een afdaling.
A5 : Je auto rijdt trager op een helling. Kies de juiste versnelling.
A7 / A39 : Let op voor tegenliggers. Ga tijdig rechts rijden als dat nodig is.
A13 : Let op je snelheid.
A14 : Bij 50 km/u of meer: gas lossen.
A15 / A16 : Let extra op snelheid en volgafstand, vooral bij slecht weer.
A21–A31 (oversteekplaatsen/weggebruikers) : Anticipeer op voetgangers en andere weggebruikers.
A41–A49 (spoorvoertuigen) : Spoorvoertuigen hebben altijd voorrang. Stop enkel waar toegelaten.
Snelheidsbeperkingen gelden tot het eerstvolgende kruispunt. In de praktijk kan dat kruispunt slechts enkele meters verder liggen of zich in de middenberm bevinden.
Gebodsborden die jou verplichten om af te slaan, verplichten je ook om je richtingaanwijzer te gebruiken.
Goed gedaan! Je herkent nu gevaarsborden, gebodsborden en snelheidsborden.
Wanneer je een verkeerslicht nadert, kijk je altijd in je binnenste achteruitkijkspiegel. Zo weet je of je veilig kan stoppen. Een wagen die te dicht achter je rijdt, vooral een vrachtwagen, kan niet veilig remmen.
Een vast oranje licht betekent: stop, tenzij stoppen niet meer veilig kan.
Een cirkelvormig groen licht betekent dat al het verkeer dat jouw richting volgt voorrang heeft. Maar: wanneer jij afslaat, zullen tegenliggers, voetgangers en fietsers ook groen hebben. Zij hebben dan voorrang.
Een groene pijl geeft aan dat enkel het verkeer dat de pijl volgt, mag doorrijden. Andere weggebruikers zullen je niet hinderen: je hebt volledige beschermde doorgang.
Dit verkeerslicht staat niet meer in de huidige wegcode, maar je komt het nog soms tegen aan kruispunten. Het toont welke kleur licht de tegenliggers hebben.
Super!
Een stap dichter bij het praktijk-examen.
Er liggen nog heel wat verkeersavonturen op je te wachten!
Klaar om verder te gaan met je praktijk-examen?